Pieter Tops: ‘De ontwikkeling van de democratie als staatsvorm’

INTEGRALE TEKST

DEMOCRATIE ALS MEERVOUDIG IDEE door Pieter Tops, hoogleraar bestuurskunde

Lezing Anders in de Kerk, Bokhoven, 12 mei 2017. Deze tekst vormt de basis voor de lezing, maar zal niet letterlijk worden uitgesproken. 1)

Dames en heren,
Zo’n twee weken geleden was ik op het stadhuis in Den Bosch aanwezig bij de

jaarlijkse lintjesregen. Ik vond het een verbluffende bijeenkomst, ontroerend en

indrukwekkend tegelijk. Ontroerend vanwege de emoties die de gebeurtenis opriep

bij de gedecoreerden en hun naasten, indrukwekkend vanwege de reden waarom ze

gedecoreerd werden: door zich dikwijls tomeloos en langdurig in te zetten voor ‘het

gemeen’, voor de gemeenschap, voor een belang dat verder ging, veel verder, dan

hun directe eigenbelang.

Het was ook een moment waarop de staat en de burger elkaar op een bijzondere

manier ontmoeten. De plechtigheid vond plaats in het stadhuis, in de raadszaal zelfs,

de lintjes werden uitgereikt op gezag van de koning, de uitreiking zelf geschiedde

door de burgemeester. De overheid liet op deze manier zien veel waardering en

bewondering te hebben voor burgers die zich voor een algemeen belang inzetten.

Hoewel het misschien voor velen niet de eerste associatie zal zijn, was het een

bijeenkomst die in mijn ogen ook veel met democratie te maken heeft. Het was een

moment waarop de formele democratie – vertegenwoordigd door de instituties van

de overheid – in aanraking komt met de alledaagse democratie – met de inzet van

burgers voor de samenleving in het dagelijkse leven. Of anders uitgedrukt: de

politieke democratie en de maatschappelijke democratie vloeiden hier in elkaar over,

konden hier probleemloos en zonder conflicten naast en met elkaar bestaan.

Dit is precies het thema wat ik vanavond met u wil opnemen. Ik ben gevraagd om iets

te vertellen over de geschiedenis van democratie. Ik zal dat doen door een aantal

opmerkingen te maken over de verhouding tussen politieke en maatschappelijke

democratie. Ik zal ingaan op het historische denken daarover en ik zal dat vervolgens

toespitsen op enkele actuele vragen in onze democratie.

*

Wanneer we het over democratie hebben, denken we snel aan een

besluitvormingsmethode. Democratie is dan een manier om burgers invloed te laten

hebben op beslissingen die door ‘machthebbers’ (de overheid), op welke manier dan

ook georganiseerd, genomen worden. Ik noem dat politieke democratie.

Een klassieke vraag is dan bijvoorbeeld wie er tot die groep van ‘burgers met invloed’

gerekend kunnen worden; democratisering wordt dan gezien als een proces waarin

die groep steeds groter wordt. Van een elite van welgestelde burgers via alle

mannelijke burgers tot alle burgers op een grondgebied, inclusief vrouwen en – later

– migranten. Op deze wijze worden steeds meer mensen in het collectieve

besluitvormingsproces opgenomen.

Een tweede klassieke vraag betreft die naar de organisatie van dat

besluitvormingsproces. Dat kan enerzijds via een stelsel van vertegenwoordiging,

waarin burgers op andere burgers stemmen die namens hen de collectieve

besluitvorming verzorgen. Of het kan via een stelsel van directe democratie, waarin

burgers zelf over onderwerpen stemmen; vaak spreken we dan van referenda, die

weer in allerlei soorten en maten voorkomen. Zowel vertegenwoordigende als

directe democratie worden met kracht van principiële argumenten verdedigd. Zelfs al

zou directe democratie op grote schaal mogelijk zijn – en de technologie stelt daar

organisatorisch toe in staat – dan nog zou vertegenwoordigende democratie te

verkiezen zijn, vinden velen. Het proces van debat en argumentatie waarin zoiets als

een algemeen belang gevonden wordt, zou in die laatste vorm beter en op een hoger

niveau ontwikkeld kunnen worden dan in een systeem van directe democratie, dat

toch vooral een aggregatie van onbemiddelde kiezersvoorkeuren zou zijn. Er zijn er

ook die de directe democratie juist daarom prefereren.

Een derde klassieke vraag is of die collectieve democratische besluitvorming via

verkiezingen moet worden georganiseerd. Dat is voor ons zo’n vanzelfsprekendheid

dat die vraag bijna niet meer gesteld wordt, maar David van Reybroeck heeft in zijn

pamflet ‘Tegen verkiezingen’ met kracht van argumenten betoogd, dat democratie en

verkiezingen niet per se bij elkaar horen. Er zijn ook andere manieren om democratie

te organiseren, zoals via loting, hoewel de concrete uitwerking van dat idee voorlopig

nog niet vermag te overtuigen.

Veel van de actuele discussies over de stand van onze democratie hebben betrekking

op één of meer van deze drie klassieke vragen. Zij dreigen voortdurend de discussie

over democratische vernieuwing te domineren. En natuurlijk blijven zij van belang.

Toch hebben zij iets in zich van trekken aan het verkeerde eind van het touw. Of

sterker nog: van gras dat niet harder gaat groeien als je aan de sprietjes trekt.

*

Ik zal hier een andere benadering van democratie centraal stellen, één die stevig

geworteld is in de geschiedenis van het denken over democratie. In deze benadering

is democratie niet alleen een besluitvormingsmethode, maar ook een

maatschappijvorm. Naast politieke democratie kennen wij maatschappelijke

democratie. De twee zijn nauw met elkaar verbonden en kunnen niet zonder elkaar.

Sterker: klassieke denkers over democratie zagen al de noodzaak van

maatschappelijke democratie. Alleen de invoering van democratische instituties, van

democratie als besluitvormingsmethode, is onvoldoende en levert vaak problemen

op. Dat hebben wij kunnen zien in de processen van dekolonisatie na de Tweede

Wereldoorlog of ook in de veranderingen in Oost-Europa na 1989. Het louter

introduceren van democratische wetgeving is ontoereikend. Alleen door de

aanwezigheid van een democratische geest op het laagste niveau, in de gemeenten,

kan de democratie in stand worden gehouden.

Wij ontlenen dit inzicht vooral aan het werk van Alexis de Tocqueville, een Franse

edelman, die in de eerste helft van de 19 e eeuw naar Amerika trok om daar de

werking van de democratie te gaan bestuderen. Het boek dat hij daar over schreef, is

volgens sommigen ‘Hét boek over de democratie’. De belangrijkste les die Tocqueville

uit zijn Amerikaanse ervaringen trok: een democratische overheid kan alleen goed

functioneren als er ook sprake is van een democratische samenleving. Dat wil zeggen:

een samenleving waarin mensen bereid zijn om zich op basis van welbegrepen

eigenbelang voor elkaar en voor de gemeenschappelijke zaak in te zetten.

Democratie is dus niet alleen een politiek model, maar ook een samenlevingsmodel.

Het gaat niet alleen over de relatie tussen de burgers en de staat, maar ook en vooral

over de relaties tussen burgers onderling. Dat is wat Tocqueville aantrof in de

Verenigde Staten en wat hij miste in zijn moederland, Frankrijk.

Zo’n democratische samenlevingscultuur ligt ten grondslag aan de politieke

democratie. Ontbreekt die democratische cultuur, dan krijgt de overheid al snel mild

despotische trekjes, ook al is die overheid democratisch georganiseerd. Sterker nog:

in dat geval kunnen burgers onbekommerd hun individuele wensen op het bordje van

de overheid deponeren. De Tocqueville schetst wat er dan ontstaat: “Boven de

geïndividualiseerde massa troont een bevoogdend machtsapparaat, dat over het wel

en wee waakt, dat alles voorziet en alles regelt, maar dat de mensen in een staat van

onmondigheid houdt”. Er wordt onvoldoende weerwerk geboden tegen de staat en

de democratie wordt een prooi voor populisme en mild despotisme.

Het is wellicht wat schril geformuleerd, maar het is een conclusie die later in het werk

van anderen steeds weer terugkomt, ook in het werk van moderne onderzoekers als

Robert Putnam en Benjamin Barber.

Putnam onderzocht de democratie in Italië en ontdekte een belangrijk verschil tussen

regio’s met en zonder een actieve samenleving; in de eerste was de politieke

democratie veel steviger verankerd dan in de tweede, die voortdurend neigde naar

autoritaire of nepotistische staatsvormen. Voor Putnam reden om daarna de

democratische betekenis van ‘sociaal kapitaal’ verder te onderzoeken.

De onlangs overleden Benjamin Barber muntte het begrip Strong Democracy als

tegenhanger van de dunne democratie die ontstaat wanneer die democratie als het

ware door de politiek wordt gemonopoliseerd.

In het denken van De Tocqueville, Putnam en Barber komt nog een ander element

terug. De democratie speelt zich niet alleen af in de politiek, maar ook in de

samenleving, dat hebben we gezien. Maar die samenleving, dat is niet alleen het

verenigingsleven, die omvat ook de sociaal-economische verhoudingen. Ook in hun

arbeidzaam leven dienen burgers invloed uit te kunnen oefenen op de gang van

zaken en als volwaardige leden van een productiegemeenschap te worden

beschouwd. Dat is het terrein waarop democratie nog het minst gerealiseerd is, en

waarschijnlijk zelfs nog minder dan enkele decennia geleden. Globalisering is voor

veel bedrijven en hun werknemers ook een proces waarin men zich aan anonieme

krachten voelt overgeleverd. Ook veel gezonde bedrijven zijn onder druk komen te

staan. De schaduwzijden van die globalisering worden steeds duidelijker. Veel

burgers ervaren verlies aan sociale samenhang en gemeenschapszin.

Op allerlei manieren is de afgelopen jaren in samenlevingen als de onze een neo-

liberale ideologie dominant geworden. Die kent zowel een economische variant,

waarin de vrije markt centraal staat, als een culturele variant. Individualisme en

zelfredzaamheid zijn daarin belangrijke beginselen. Het fameuze statement van

Margaret Thatcher – there is no such thing as society – toont aan dat dit neo-

liberalisme niet erg positief staat tegenover sterke maatschappelijke organisaties, die

zich tussen individu en overheid nestelen. Die zouden maar een belemmering zijn

voor de beleving van individuele vrijheid. Dat is een sentiment wat niet alleen door

‘rechts’ maar ook door ‘links’ de afgelopen decennia is gekoesterd. Het verklaart

mede de vrije val waarin bijvoorbeeld de PvdA is terechtgekomen.

*

Nederland kende traditioneel een sterk ontwikkelde maatschappelijke democratie,

maar daar is de afgelopen zestig jaar enigszins de klad in gekomen. De politieke

democratie werd op een voetstuk gezet. Het uitgangspunt dat alles politiek is, of zou

moeten zijn, heeft lange tijd een belangrijke rol gespeeld. Alles, tot soms het

persoonlijke aan toe. Van die ontwikkeling zijn de scherpste kanten inmiddels wel

afgesleten, ideologisch althans, want in de praktijk bemoeit de overheid zich vaak tot

in details met het doen en laten van mensen. De vraag is of we daar zo blij mee

moeten zijn, met die politisering van het leven. Niet vanuit een antipolitieke of anti-

overheidsgedachte, maar eerder om de politiek tegen zichzelf te beschermen. Dat bij

‘de politiek’ de uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt voor de inrichting van de

samenleving, betekent niet dat zij overal over moet gaan.

De vraag mag worden gesteld of er niet meer apolitiek domein nodig en wenselijk is,

ook op lokaal niveau. Een domein waar burgers, ondernemers en instellingen

gezamenlijk het publieke domein creëren en realiseren.

Het SCP stelt vergelijkbare vragen wanneer het constateert dat het vertrouwen in

democratische instituties onverminderd groot blijft in Nederland, maar dat het

vertrouwen in de politiek stevig is afgenomen. We leven in een tijd die om minder

politiek en meer democratie vraagt.

In Nederland hebben we lange tijd een georganiseerd stelsel van ‘verzuiling’ gekend

als uitdrukking van maatschappelijke democratie. Dat stelsel is inmiddels verdwenen.

Het maatschappelijke middenveld, uit particulier initiatief voortgekomen organisaties

die zich inspanden voor essentiële zaken als zorg, welzijn, sport en onderwijs, werd

overgenomen door de overheid en vervolgens overgeleverd aan marktkrachten. Zo

hebben we langzaam maar zeker het hart uit deze organisaties weten te slopen.

*

Maar we zien ook, dat zich – op een nieuwe manier en met nieuwe vormen – andere

vormen van maatschappelijke democratie aan het ontwikkelen zijn. We spreken

tegenwoordig van een zich sterk ontwikkelende horizontale netwerksamenleving.

Daarbij staan verticale verhoudingen tussen overheid en actieve groepen van burgers

onder druk. Burgers nemen zelf initiatieven voor de aanpak van voor hen relevante

maatschappelijke problemen. Een nieuwe stroming van burgerkracht dient zich aan.

In het hele land nemen burgers en bedrijven initiatieven tot het vervullen van

‘publieke’ taken. Energiecorporaties, broodfondsen, werkprojecten,

zorgvoorzieningen, buurtcommunities, etc.. Zie de websites Democratic Challenge

(www.democraticchallenge.nl) of van Kracht in Nederland (www.krachtinnl.nl) voor

een indruk van de veelzijdigheid en veelkleurigheid van deze initiatieven. Een nieuw

begrip is hierop van toepassing: gemeenschapskracht. Actieve burgers nemen

initiatief en produceren belangrijke publieke waarden.

Laten wij niet vergeten dat dit mede de vrucht is van een zeer geslaagd

maatschappelijk project, namelijk van emancipatie en meritocratisering van de

samenleving, idealen die in de tweede helft van de vorige eeuw dragers van

maatschappelijke vooruitgang zijn geweest. Voor de positie en functie van mensen

was niet langer hun afkomst doorslaggevend, maar hun talenten en hun bereidheid

om zich in te spannen. Het onderwijs fungeerde daarin als ongeëvenaarde

‘emancipatiemachine’. Waar we vroeger werden geboren voor een dubbeltje, en dat

meestal ook bleven, zijn velen van ons nu een kwartje geworden: hoogopgeleide

mondige zelfbewuste burgers. Zij willen en claimen handelingsruimte om zelf

maatschappelijke waarden van publiek belang te creëren. En zij willen ook

waardering voor het feit dat zij coproducent van die publieke waarden zijn.

De verhouding met de (lokale) overheid is doorgaans nogal dubbel. De meeste

beleidsnota’s staan bol van begrippen als ‘eigen verantwoordelijkheid, dragende

samenleving, burgerkracht, maatschappelijk verantwoord en ‘sociaal ondernemen’.

Maar in de dagelijkse praktijk blijkt de omgang lastig. Aan de ene kant stimuleren vele

gemeenten het nemen van initiatieven en willen ze deze ook graag ondersteunen.

Aan de andere kant behoudt het gemeentebestuur zich vaak het recht voor om zelf te

bepalen welke publieke waarden hij van belang vindt. Bovendien worden

maatschappelijke initiatieven voortdurend de maat genomen naar formele (subsidie)

richtlijnen en naar de eigen prestatie-normen van de overheid. Alsof het om

uitvoeringsorganisaties zou gaan van overheidsdoelen, en niet om zelforganiserende

clubs die uit eigen beweging publieke waarden creëren. Het is voor overheden

kennelijk heel ingewikkeld geworden om maatschappelijke initiatieven op voet van

gelijkwaardigheid tegemoet te treden. Het meer in balans brengen van deze

verhoudingen is voor de komende tijd een belangrijke opgave. Wat we nodig hebben

is een concept van meervoudige democratie, zoals een commissie o.l.v. de Brabantse

CdK Van de Donk recentelijk heeft bepleit.

Ook burgerschap is een meervoudig ambt, die waarde dient daarbij voortdurend in

het oog gehouden. Men moet niet alleen kunnen regeren, men moet ook geregeerd

kunnen worden. Dat eerste is in belangrijke mate en voor steeds meer mensen

gelukt. Veel meer burgers dan voorheen zijn bereid en in staat om eigenstandig een

bijdrage aan de realisering van publieke initiatieven en waarden te leveren. Niet

zelden ervaren zij de overheid daarbij eerder als ‘hindermacht’ dan als ‘bondgenoot’.

Maar democratie en burgerschap zijn meer dan alleen het nastreven van wat je zelf

van belang vindt; zij impliceren ook het ten volle accepteren dat anderen soms iets

anders willen. Dat vereist gematigdheid, de wil tot inschikking, de bereidheid tot

tolerantie. Acceptatie van andersdenkenden is in een democratie van wezenlijk

belang. Het omvormen van vijanden in tegenstanders is een vitaal doel van

democratie. Juist die waarden – voorwaarden voor een situatie waarin men ook

‘geregeerd kan worden’ – lijken onder druk te staan.

*

Er moet tenminste één belangrijke kanttekening worden geplaatst bij deze

ontwikkeling naar een meervoudige democratie. De processen van modernisering en

meritocratisering zijn niet maatschappelijk neutraal, maar kennen structurele

verliezers (en winnaars). De sociale mobiliteit lijkt te stagneren. Hoogopgeleiden

trouwen alleen nog met andere hoogopgeleiden en krijgen hoogopgeleide kinderen.

Laagopgeleiden trouwen alleen nog met laagopgeleiden en krijgen laagopgeleide

kinderen. Van ‘cross-overs’ is nauwelijks nog sprake, zo laat het CBS ons zien. Het

meritocratische project, waarin niet afkomst maar talent en inspanning (merites)

doorslaggevend werden voor iemands maatschappelijke positie, lijkt op zijn grenzen

te stuiten en soms zelfs in zijn tegendeel te verkeren: als je het nu niet hebt gemaakt,

ligt het niet meer aan je achtergrond of afkomst, maar aan jezelf. Je hebt je

onvoldoende ingespannen of onvoldoende gebruik gemaakt van maatschappelijke

kansen. Als je geboren bent voor een dubbeltje, blijf je weer een dubbeltje.

De werking van het onderwijs als emancipatiemechanisme stuit meer en meer op

grenzen, zo heeft recent onderzoek laten zien. In grote steden dreigen (op termijn)

nieuwe tweedelingen op de woningmarkt, mede onder invloed van de opkomst van

fenomenen als AirBnB. De economische ontwikkeling heeft sociaal ongelijke

consequenties. De arbeidsmarkt zal een flinke metamorfose ondergaan, zo

voorspellen velen. Deeltaken van productie kunnen op verschillende locaties worden

uitgevoerd. De arbeid wordt anders georganiseerd. Met name voor lager en

middelhoog opgeleiden is de kans groot dat hun werk verdwijnt door globalisering en

door vervanging van hun werk door robots en computers. Daarbij vindt verdringing

plaats door omvangrijke migratie, zowel vanuit het Oostblok als andere delen van de

wereld. De komst van grote groepen vluchtelingen zet deze tegenstelling nog verder

op spanning. Dit alles is niet alleen een sociaal-economisch vraagstuk, maar heeft ook

consequenties voor de democratie en de wijze waarop die door verschillende

groepen ervaren wordt.

Wij zien een toenemende polarisatie tussen de globalen en de lokalen, tussen

kosmopolieten en communitaristen, tussen mensen die de wereld als speelveld

hebben en degenen die vooral op hun eigen gemeenschap georienteerd zijn. De

Engelse auteur David Goodhart spreekt over het verschil tussen de Anywheres en de

Somewheres, tussen de ‘overalmensen’ en de ‘ergensmensen’. De eersten voelen

zich overal thuis, de tweeden zijn geworteld in lokale gemeenschappen. De eersten

zijn de winnaars, de tweeden de verliezers van de globalisering.

De ´verliezers´ van de modernisering leggen zich bij dat verlies niet zonder meer neer.

Ook zij zoeken meer en meer hun eigen kracht en maken zich weerbaar. Zij zien dat

(delen van de) kosmopolitische wereld goed voor zichzelf zorgen en zich verrijken. Zij

identificeren zich almaar minder met de gevestigde orde. Soms vindt verbinding

plaats met elementen van ondermijning en illegaliteit. De ‘informele economie’ blijkt

zich in menig sociaal verband te hebben gevestigd als onderdeel van een systeem van

overleven en positie opbouwen. Zo organiseert de ´weerbare onderklasse´ zijn eigen

vormen van maatschappelijk succes.

Overgeleverd zijn aan de overheid is niet altijd een onverdeeld genoegen, zo is de

afgelopen jaren steeds vaker gebleken. Een anonieme overheidsbureaucratie heeft

zijn eigen logica, waar burgers zich soms moeilijk tegen kunnen verweren. Het gevoel

aan de goden overgeleverd zijn overheerst, al was het alleen maar omdat er via het

call-centrum zo moeilijk contact mee te leggen is. Vergeleken daarmee was de oude

verzuiling wellicht wat paternalistisch, maar in ieder geval wel zorgzaam en

benaderbaar. Opvallend is dat in één van de volksbuurten die ik goed ken, nog steeds

welwillend gesproken wordt over de maatschappelijke werksters uit de jaren vijftig,

type potige tantes, die streng waren, maar ook liefdevol en desnoods uit eigen zak

wat geld bijpasten als zij dat noodzakelijk vonden.

Waar burgerinitiatieven van hoger opgeleiden het bestaande bestuur onder druk

zetten en uitdagen, zo gebeurt dat ook door dit deel van de samenleving. Rauw en

onaangepast soms, maar daarmee niet minder effectief. Het bestuur worstelt flink

met de vraag hoe hier goed op te reageren. Met name in deze groepen worden direct

democratische instrumenten als het referendum en de direct gekozen burgemeester

steeds populairder. Het lijkt eerder een uitdrukking van ontevredenheid dan een

daadwerkelijk engagement met deze instrumenten. Maar het stelt de overheid, zeker

de lokale overheid, soms stevig op de proef.

De samenleving en de democratie zijn uit balans, met een groeiende afstand tussen

groepen aan deze en gene kant van het moderniseringsproces. De grote vraag is

welke waarden maatschappelijk echt gedeeld worden. Hoe kunnen daarin nieuwe

verbindingen ontwikkeld worden? En welke rol kan de (lokale) overheid daarin

spelen? Dat lijkt ons een van de meest urgente opgaven voor de komende jaren. Dat

is een opgave die de politieke democratie alleen niet tot stand kan brengen.

Sleutelen aan dat systeem alleen heeft daarom betrekkelijk weinig betekenis, hoe

gepassioneerd de debatten daarover ook zijn. Het vergt nieuwe waardering voor

maatschappelijke democratie en voor de voorwaarden waaronder die tot bloei kan

komen.

In een recente publicatie van Brabant Kennis zien we daar voorbeelden van. Een

sportvereniging, een school, een bedrijf, een volkstuin. Wat zij gemeen hebben: in

het doen ontstaat de verbinding. Eerder dan door praten komt er contact tot stand

door dingen gezamenlijk te ondernemen. Het zijn bezielde gemeenschappen aan het

worden. Realisering daarvan is geen technische opgave, om nieuwe

participatievormen te ontwikkelen. Het is een inhoudelijke en morele opgave, die

klassieke waarden opnieuw uitvindt. De worteling van mensen in lokale

gemeenschappen. Het belang van geborgenheid en veiligheid. Waardering voor

traditionele verbanden als gezin of religie. Het zijn allemaal zaken die in de moderne

samenleving onder druk staan.

*

Belangrijk daarbij is dat de politieke democratie zich op lokaal niveau verder

verwijderd heeft van de maatschappelijke democratie. Niet alleen in ‘institutionele’

zin, door de ‘ontzuiling’, waardoor politieke partijen veel meer op zichzelf zijn

teruggeworpen en geen natuurlijke banden meer hebben met maatschappelijke

organisaties. Maar ook in zijn feitelijke functioneren. Het verlangen naar scherpe

politiek, duidelijk maken van politieke verschillen en het aanscherpen van

tegenstellingen, dit alles in de veronderstelling dat burgers dan meer belangstelling

voor lokale politiek zouden krijgen, heeft de politiek ook op lokaal niveau tot een

eigen werkelijkheid gemaakt. Die staat dan weer ver af van de wijze waarop ‘gewone’

burgers in hun maatschappelijke activiteiten tot overeenstemming en

gemeenschappelijke actie proberen te komen. De politieke arena wordt voor hen

daardoor minder en minder aantrekkelijk.

De introductie van dualisme aan het begin van deze eeuw heeft naast voordelen dus

ook een aantal ongewenste effecten gehad. De tragiek is dat dualisering het lokaal

bestuur politieker heeft willen maken, in een tijd die vraagt om minder politiek en

meer democratie. Daarbij is het systeem als zodanig gevoeliger worden voor crises en

incidenten, terwijl institutionele inrichting juist moet zorgen voor demping en

stabiliteit.

Er zijn een paar lijnen waarlangs we die maatschappelijke democratie verder kunnen

versterken.

De burgemeester heeft in die politieke democratie een aparte positie. Extern vaak de

meest bekende en meest gewaardeerde bestuurder. Intern degene die waakt over

integriteit en zuiverheid van de besluitvorming. Dat zijn belangrijke taken. Verdere

politisering van de functie in een tijdperk dat om minder politiek en meer democratie

vraagt, lijkt niet de aangewezen weg. Versterking van de onafhankelijke positie van

de burgemeester is dat wel. Tevens is voorstelbaar dat de burgemeester nadrukkelijk

de taak krijgt toebedeeld om een goede lokale democratische meningsvorming,

besluitvorming en uitvoering te bewerkstelligen. Hij is dan niet alleen

verantwoordelijk voor het interne functioneren van Raad en College, maar ook voor

het goed functioneren van het lokale publieke domein.

Vele burgers en sociaal ondernemers zijn bereid om zelfstandig publieke waarden te

creëren. Dat vraagt wel dat ze kunnen beschikken over startinvesteringen en

innovatiegelden. En dat is iets heel anders dan start- of innovatiesubsidies. De huidige

banken zijn niet in staat of niet bereid om deze financieringen te doen. Gemeenten

kunnen in dit gat springen door onderlinge kredietfinanciering van burgers en

bedrijven mogelijk te maken door middel van goede regelgeving en garantstellingen.

Een onderlinge ‘burger’ en ‘ondernemers’ leenbank kan zo tot bloei komen; een

nutsbank, als een voorziening voor algemeen nut.

Ambtenaren kunnen naast dienaren van het gemeentebestuur ook ‘publieke

dienaren’ worden, een naam die uitdrukt aan dat zij niet alleen voor het bestuur,

maar ook voor de gemeenschap werken. Deze publieke dienaren gaan verbindingen

aan met andere actoren die publieke waarde creëren, binnen en buiten het

gemeentelijk apparaat. Zij organiseren zich flexibel rond een opgave, een doelstelling,

een bedoeling en doen wat daarin nodig is. Over budget en opgaven maken zij

afspraken met het College. Dat gebeurt op basis van wederzijds vertrouwen. In het

buitenland (Canada, Denemarken) zijn daar interessante voorbeelden van.

*

De relatieve autonomie van vormen van maatschappelijke democratie is te zien als

een belangrijke voorwaarde voor een levendige en vitale politieke democratie.

Mensen ervaren er wat organiseren en mobiliseren is, maar ook wat samenwerking

en compromisvorming betekenen. Een levendige maatschappelijke democratie is een

voedingsbodem voor politieke besluitvorming. Politiek wordt een beetje schraal als

deze op zichzelf is teruggeworpen. In die zin heeft ook de politiek baat bij veel ruimte

voor maatschappelijke initiatieven, ook al ligt de verantwoordelijkheid voor publieke

besluitvorming (inclusief de definiëring van wat geldt als algemeen belang)

uiteindelijk in politieke handen.

Democratie is niet alleen een politiek systeem, maar ook een maatschappelijk

systeem, dat vanuit de samenleving moet groeien. Dat is de grote les van Tocqueville.

Democratie gaat niet in de eerste plaats om de grote politieke en staatkundige

verhalen, maar om de kleine dagelijkse gebeurtenissen in de samenleving. Erkenning

van dat besef is de kern van het idee van meervoudige democratie.

Dat is wat ik ook zag bij die lintjesregen in het Bossche stadhuis; het ging vaak om

alledaagse, ogenschijnlijk kleine dingen. Tenminste de helft van de gedecoreerden,

maar ik denk meer, heeft geen hoge opleiding genoten. Van zichzelf zullen zij en hun

activiteiten zelden de krantenkoppen halen. Maar ze dragen de democratie.
(c) Pieter Tops

1) Delen van de tekst zijn gebaseerd op een notitie vervaardigd voor de Commissie Toekomst lokale
democratie (commissie Van de Donk) en op Nieuw Publiek Werken (Van Spijker, van Erkel en Tops).
Zie de literatuurlijst hieronder.

Gebruikte literatuur:
Commissie Van de Donk, Op weg naar meervoudige democratie, oproep van de Commissie

Toekomstgericht lokaal bestuur, Den Haag 2016

David van Reybrouck, Tegen verkiezingen, Amsterdam 2016

Willem van Spijker, Frank van Erkel en Pieter Tops, Nieuw Publiek Werken, een verkenning
van ambitie, Amsterdam 2016

Andreas Kinneging, Paul de Hert en Stefan Somers (red.), Tocqueville, profeet van de
moderne democratie, Rotterdam 2013

Alexis de Tocqueville, Over de democratie in Amerika, integrale editie van alle
tekstvarianten, vertaald door Hessel Daalder en Steven van Luchene, bewerkt door Andreas
Kinneging, Rotterdam 2011

Robert Putnam, Making democracy work, civic traditions in modern Italy, Princeton 1993

Benjamin Barber, Strong democracy, participatory politics for a new age, California
University Press, 1984

Brabant Kennis/Marcel Boogers, Brabants Bont, de kleurrijke kunst van het overbruggen,
Den Bosch/Tilburg 2017

Pieter Tops en Jan Tromp, De achterkant van Nederland, hoe onder- en bovenwereld
verstrengeld raken, Amsterdam 2017

Sociaal en Cultureel Planbureau, Burgerperspectief 2015, Den Haag 2015

Sociaal en Cultureel Planbureau, Meer democratie, minder politiek, een studie van de
politieke opinie in Nederland, Den Haag oktober 2015

David Goodhart, The Road to Somewhere: The Populist Revolt and the Future of Politics, C.
Hurst & co, 2017

13 Volt, Brief aan het sociale domein, Tilburg, 2016

(c) Pieter Tops /gerarddenbosch